Tegemoetkomingen loondomein: afwachten geen optie



Met ingang van dit jaar hebben werkgevers te maken met de Wet tegemoetkomingen loondomein. Ofschoon deze wet ook een administratieve lastenverlichting betekent voor werkgevers, hij hoeft weinig of niets te doen, is het zaak toch de vinger aan de pols te houden.

Begin dit jaar is het eerste onderdeel van de Wet tegemoetkomingen loondomein in werking getreden: het lage-inkomensvoordeel (liv), een tegemoetkoming voor werkgevers met werknemers in dienst op of net boven het minimumloonniveau (denk aan de lage loonschalen voor Participatiebanen die in veel cao's zijn ingevoerd). Volgend jaar komt daar nog een minimumjeugdloonvoordeel bij als een tegemoetkoming voor de verhoging van de minimumjeugdlonen.

Per 1 januari 2018 volgt het tweede onderdeel van de wet, het loonkostenvoordeel (lkv), dat onder meer de bestaande premiekortingen voor oudere en arbeidsgehandicapte vervangt. De wet kent vier verschillende loonkostenvoordelen:

  • een loonkostenvoordeel oudere werknemers (minimaal 56 jaar oud bij indiensttreding);
  • een loonkostenvoordeel arbeidsgehandicapten;
  • een loonkostenvoordeel herplaatsen arbeidsgehandicapten;
  • een loonkostenvoordeel doelgroep banenafspraak (vervalt per 2021).

Voor beide onderdelen van de wet geldt dat de werkgever weinig of niets hoeft te doen. Voor het lage-inkomensvoordeel helemaal niets, behalve uw loonaangifte op orde hebben - maar dat deed u toch al - bij het loonkostenvoordeel moet bij de aangifte nog een vakje aangevinkt worden. Zowel voor het liv als lkv bestaat de tegemoetkoming uit een vast bedrag per verloond uur, dat wordt uitbetaald in het volgende kalenderjaar. Welk bedrag per uur en tot welk maximum per jaar verschilt per regeling. Aan de hand van de polisadministratie berekent UWV het recht op het lage-inkomensvoordeel of het loonkostenvoordeel, waarna in augustus de Belastingdienst in augustus een beschikking afgeeft en zes weken later tot betaling overgaat.

Ondanks deze 'automatismen' is stilzitten geen optie. Beide onderdelen van de wet zijn aan voorwaarden verboden, zoals loonhoogte en aantal verloonde uren (let op bij - deels - stukloon) bij het lage-inkomensvoordeel en een doelgroepverklaring bij het loonkostenvoordeel (die moet de werknemer aanvragen). Verder geldt vanaf volgend jaar als uitgangspunt dat als meerdere regelingen van toepassing zijn, de werkgever maar voor één (wel de meest gunstige) in aanmerking komt. Van belang is dus om een en ander goed te monitoren. Het verschil tussen het laagste maximum (lage-inkomensvoordeel per jaar van max. € 1.000 voor een werknemer met een loon van 110-125% WML) en het hoogste maximum (€ 6.000 voor het aannemen van een arbeidsgehandicapte, uitkeringsgerechtigde werknemer en een werknemer van minimaal 56 jaar) is te groot. Als in augustus van het volgende jaar de beschikking van de Belastingdienst in de bus valt is het al gauw te laat. Dan is het van belang dat u tijdig een partner bij de hand heeft die u kan ondersteunen bij het veilig stellen van de voor u meest gunstige regeling.