Inhouding op minimumloon: let op bij cafetariamodel



Op 17 oktober is de halfjaarlijkse verhoging van het wettelijk minimumloon gepubliceerd. Per 1 januari 2018 wordt dit verhoogd met 0,81%. Het volwassenen minimumloon (vanaf 22 jaar) per maand bedraagt dan € 1578 bruto per maand.

Wellicht minder aandacht heeft het een week eerder gepubliceerde besluit inzake aanpassing van het boetebeleid bij overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2017). De  aanleiding voor de aanpassing is de wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag die al per 1 januari 2017 in werking is getreden, het verbod op inhoudingen op het minimumloon, maar waarvoor het handhavingsbeleid nog niet was aangepast: werd tot 11 oktober jl. een overtreding van die bepaling geconstateerd, dan kon geen boete worden opgelegd. Met ingang van 11 oktober kan dat wel voor overtredingen na die datum en voor overtredingen van het verbod op inhouding die weliswaar voor 11 oktober zijn begonnen en ook na 11 oktober hebben voortgeduurd. De boete is gelijk aan de boetes voor het niet betalen van het wettelijk minimumloon en varieert – afhankelijk van duur en mate van overtreding – van € 500 tot € 10.000 per werknemer per overtreding. Een lagere boete geldt indien de inhouding niet toegestaan is, maar wel plaatsvindt na een schriftelijke machtiging van de werknemer voor het doen van een betaling aan een derde.

Nu zullen de meeste werkgevers alert zijn bij het verbod op inhoudingen op het minimumloon in geval van werknemers die daadwerkelijk het minimumloon ontvangen. Lastiger wordt het bij werknemers die iets boven het minimumloon zitten, en zeker als binnen de onderneming voor bepaalde arbeidsvoorwaarden een cafetariamodel wordt gehanteerd, waarbij een deel van het brutoloon kan worden uitgeruild tegen bijvoorbeeld een (onbelaste) kostenvergoeding. 

Stel: een werkgever biedt de mogelijkheid brutoloon uit te ruilen tegen een onbelaste reiskostenvergoeding. Een werknemer binnen het bedrijf heeft een bruto maandloon van € 1593 bruto en besluit van de regeling gebruik te maken. In zijn geval zou de reiskostenvergoeding € 53 per maand bedragen. Zou de regeling onverkort worden toegepast dan zou het loon € 1540 bruto bedragen, ruim onder het minimumloon van € 1.565,40 bruto (per 1 juli 2017). Na 11 oktober zou dat een boete kunnen opleveren € 500 per werknemer én de verplichting tot nabetaling van het verschil van het uitbetaalde brutoloon en het wettelijk minimumloon (dat laatste ook als het boetebeleid nog niet kon worden toegepast). Oplossing: de reiskostenvergoeding beperken tot het verschil tussen het contractloon en het bruto minimumloon, maar dan moeten de arbeidsvoorwaarden daar wel in voorzien, of beter: verrekenen met bijvoorbeeld een eindejaarsuitkering.

Zeker nu veel cao’s met het oog op banenafspraken voorzien in loonschalen op minimumloonniveau en net daarboven kan het raadzaam zijn de arbeidsvoorwaarden en loonadministratie te scannen op dit soort boeterisico’s.