Ruimte voor finetunen



Ruimte voor finetunen

Met nog drie maanden te gaan tot het jaareinde is het voor werkgevers aan te raden de salarisadministratie goed onder de loep te houden. Wellicht wordt een fiscale of andere regeling niet optimaal benut – denk aan de werkkostenregeling – of wordt een kritische grens overschreden (of juist niet gehaald) waardoor u een belangrijk voordeel misloopt. Dit laatste speelt bijvoorbeeld bij het lage-inkomensvoordeel dat met ingang van dit jaar is ingevoerd.

Werkkostenregeling

Onderzoeken uit voorgaande jaren wijzen uit dat werkgevers de vrije ruimte van hun werkkostenbudget (1,2% van de fiscale loonsom, kolom 12 of 14 van de loonstaat) niet altijd volledig te benutten. Soms omdat men nog ruimte wil overhouden voor het einde van het jaar (denk aan het kerstpakket of een Kerstfeest met het personeel, soms eenvoudigweg omdat men meent dat er binnen het bedrijf weinig vergoedingen en verstrekkingen worden gedaan die onder de vrije ruimte van de werkkostenregeling kunnen worden gebracht. Met het naderen van het jaareinde is het zaak de beschikbare ruimte goed in kaart te brengen en te onderzoeken of er wellicht mogelijkheden zijn die beter te benutten.

Let op: op concernniveau kan de vrije ruimte van 1,2% worden benut. Heeft een concernonderdeel geen ruimte meer binnen zijn werkkostenbudget, wellicht heeft een ander concernonderdeel nog wel ruimte over. Laat een werkkostenscan dus zo mogelijk concernbreed uitvoeren.

Lage-inkomensvoordeel

Nieuw dit jaar is het lage-inkomensvoordeel, een subsidie – uit te betalen in de tweede helft van 2018 – voor werkgevers die werknemers in dienst hebben in de onderkant van het loongebouw; grofweg met een inkomen van 100% tot 125% van het minimumloon. De subsidie bestaat uit een tegemoetkoming per verloond uur. Om de subsidie te ontvangen hoeft de werkgever niets te doen, behalve correct ieder tijdvak loonaangifte doen. Het UWV bekijkt begin volgend jaar aan de hand van de polisadministratie of er recht op een lage-inkomensvoordeel bestaat. Toch is het zaak de vinger aan de pols te houden:

  • Een belangrijk criterium is het gemiddelde uurloon dat de werknemer in 2017 heeft verdiend. Hierbij wordt uitgegaan van het SV-loon.
    Voor een tegemoetkoming van € 1,01 per verloond uur (maximum € 2.000 per werknemer /kalenderjaar) moet het uurloon minimaal € 9,66 en maximaal € 10,63 bedragen; voor een tegemoetkoming van € 0,51 per verloond uur (maximum € 1.000 per werknemer/kalenderjaar) geldt een uurloongrens van meer dan € 10,63 en maximaal € 12,08. Heeft een werknemer bijvoorbeeld in het begin van jaar weinig uren en later in het jaar – na een loonsverhoging – meer dan kan dat betekenen dat het gemiddelde uurloon net hoger uitkomt dan de loongrenzen van de regeling, waardoor de werkgever het lage-inkomensvoordeel misloopt.
  • Een harde eis van de regeling is dat een werknemer minimaal 1248 verloonde uren bij de werkgever heeft. Er geldt geen naar rato berekening indien een werknemer halverwege het jaar in dienst of uit dienst treedt. Ook bij een bedrijfsovername en overname van personeel gaan de verloonde uren bij de oude inhoudingsplichtige werkgever niet meer over naar de nieuwe werkgever.
    Zijn er verschillende werknemers die onder de urengrens dreigen uit te komen, dan kan het dus lonend zijn aan hen bij overwerk de voorkeur te geven in plaats van andere werknemers die ruimer in hun uren zitten.

Voor een werkgever is het raadzaam tussentijds de vinger aan de pols te houden en de loonadministratie te laten scannen op mogelijkheden om een voordeel te behalen of kosten te besparen. Met nog een paar maanden te gaan is er nog ruimte voor finetunen.