Besparen op sectorpremies; let op de voorwaarden



Eind oktober, begin november worden de sectorpremies voor 2018 voor de Werkloosheidsfondsen bekend gemaakt. De premies verschillen per sector. Een aantal sectoren kent een premiedifferentiatie naar contractduur (horeca, agrarische sector, bouw, schildersbedrijf, culturele instellingen). Een arbeidsovereenkomst van minimaal een jaar kent dan een aanzienlijk lager premiepercentage dan een arbeidsovereenkomst van kortere duur. Het is wel zaak op de voorwaarden te letten.

De sectorpremie bij een kortdurend contract of een dienstbetrekking van minimaal een jaar kan tot een factor vijf verschillen. Voorwaarde is wel dat de werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan voor minimaal een jaar, tenzij hij binnen een jaar uit hoofde van die dienstbetrekking weer een beroep moet doen op de een WW-uitkering. Ook moet de omvang van de te verrichten arbeid in de arbeidsovereenkomst eenduidig zijn vastgelegd (Besluit Wfsv). Hiermee worden nuluren- en oproepcontracten ook al hebben ze een duur van minimaal een jaar uitgesloten van de lage sectorpremie.

Een horecaonderneemster ging, zo blijkt uit een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag op dat laatste punt in de fout. De zaak had betrekking op de jaren 2014 en 2015. De lage premie bedroeg in die jaren respectievelijk 1,45 en 2,02%, de hoge premie respectievelijk 5,82 en 8,67%. Met de werknemers was een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur twaalf maanden en nul uur per week. Na drie maanden wordt die arbeidsomvang met een addenda op de arbeidsovereenkomst gewijzigd van nul uur per week naar het gemiddelde aantal uren dat gedurende de eerste drie maanden is gewerkt. De rechtbank oordeelde dat in dat geval de lage sectorpremie niet van toepassing is. Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst was er weliswaar sprake van een overeenkomst van een jaar, maar de arbeidsomvang lag niet eenduidig vast. Bij het vastleggen van die omvang in een addendum op de arbeidsovereenkomst na drie maanden lag daarentegen de omvang eenduidig vast, maar dit had betrekking op de resterende negen maanden zodat niet aan de jaareis wordt voldaan. Voor de rechter maakte het ook niet uit dat de werknemers na het jaarcontract weer eenzelfde overeenkomst voor een jaar kregen aangeboden. Ook de verwijzing van de werkgeefster op het rechtsvermoeden van de omvang van de arbeid (art. 7:610b BW: Indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden) maakt volgens de rechter nog niet dat de arbeidsovereenkomsten voldoen aan de voorwaarden van het Besluit Wfsv.

De werkgeefster in deze casus had een lage premie wellicht kunnen veiligstellen door een minimum aantal uren bij aanvang in de arbeidsovereenkomst op te nemen. Uit de toelichting die in 2005 is gegeven bij de invoering van de regeling kan worden opgemaakt dat indien een minimum aantal uren is vastgelegd maar een wisselend aantal uren wordt gewerkt de lage premie toch van toepassing kan zijn, mits binnen het jaar die wisseling in uren niet leidt tot een beroep op de WW.