Van premiekorting naar loonkostenvoordeel



Vanaf volgend jaar kunnen werkgevers in aanmerking komen voor een loonkostenvoordeel indien zij een oudere werknemer in dienst nemen, een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst nemen of herplaatsen of een werknemer uit de doelgroep van de banen afspraak of scholingsbelemmerden van een werkplek voorzien. De loonkostenvoordelen komen in de plaats van de huidige premiekortingen. Werkgevers die nu premiekorting toepassen kunnen wel onder voorwaarden hun resterende looptijd omzetten naar een loonkostenvoordeel.

Maar eerst enkele verschillen tussen de premiekortingen en het loonkostenvoordeel waarmee werkgevers die nu een premiekorting toepassen rekening mee moeten houden.

Waar een premiekorting gedurende de looptijd (maximaal drie jaar) kon worden toegepast bij de loonaangifte in ieder tijdvak, wordt in geval van het loonkostenvoordeel door het UWV na afloop van het kalenderjaar aan de hand van de polisadministratie bekeken of een werknemer in aanmerking komt voor een loonkostenvoordeel. Vervolgens geeft de fiscus een beschikking af en volgt uitbetaling. Al met al betekent dit dat de werkgever pas in september volgend op het kalenderjaar waarop het loonkostenvoordeel betrekking heeft zijn geld krijgt, dit in tegenstelling tot de huidige premiekortingen waarbij het voordeel in principe direct in het aangiftetijdvak wordt geïncasseerd (of indien dat tijdvak geen ruimte meer heeft in een ander aangiftetijdvak in hetzelfde kalenderjaar).

Een ander verschil is dat de tegemoetkoming een vast bedrag is per verloond uur. Dit betekent dat in het aantal gevallen waarin nu nog wel een premiekorting wordt ontvangen, geen recht op een loonkostenvoordeel bestaat omdat er geen verloonde uren zijn. Bijvoorbeeld in geval van stukloon kunt u nu premiekorting toepassen, waarbij de volledige korting kan worden toegepast voor een aangiftetijdvak indien het ontvangen loon gelijk of hoger is aan het geldende minimumloon (of naar rato indien minder). Bij stukloon is het aantal verloonde uren nul, de gewerkte tijd is immers niet de basis voor de beloning, en zal er dus geen recht op een loonkostenvoordeel zijn.

Een ander verschil is de looptijd. Bij de premiekorting kon onder voorwaarden rekening worden gehouden met korte onderbrekingen (minder dan drie maanden) van de dienstbetrekking. De totale looptijd werd dan verlengd. Bij het loonkostenvoordeel geldt een aaneengesloten looptijd van drie jaar vanaf de aanvang van de dienstbetrekking.

Looptijd over

Ongetwijfeld zijn er werkgevers die nu een premiekorting toepassing en op 1 januari 2018 nog 'looptijd over' hebben. Er is geen overgangsregeling die voorziet in een voortzetting van de premiekorting voor bestaande gevallen. Die werkgevers kunnen hun resterende looptijd wel meenemen naar een van de vier loonkostenvoordelen. Bijvoorbeeld een werkgever past de premiekorting oudere werknemers toe met een maximale looptijd van drie jaar en heeft op 1 januari 2018 nog een jaar looptijd over, dan kan hij voor die resterende looptijd het loonkostenvoordeel oudere werknemer (max. € 6.000 per jaar) (max. € 6.000 per jaar) toepassen.

Om van dit overgangsrecht gebruik te kunnen maken geldt een aantal voorwaarden:

  • in de aangifte over het laatste aangiftetijdvak van 2017 aangeven dat voor een werknemer de premiekorting wordt toegepast én het bedrag aan premiekorting invullen.
    Let op: wordt dit vergeten dan kan dit tot uiterlijk 1 mei 2018 worden gecorrigeerd!
  • in de aangiften over 2018 aangeven dat men een of meer loonkostenvoordelen voor de werknemer wil aanvragen.
  • een doelgroepverklaring is niet nodig, dit in tegenstelling tot nieuwe aanvragen loonkostenvoordeel (maar wellicht beschikte de werkgever in geval van de premiekorting oudere werknemer al over een doelgroepverklaring).


Ook voor werkgevers die gebruik maken van dit overgangsrecht geldt dat het UWV op basis van de polisadministratie in het volgende kalenderjaar bepaalt of er recht is op het loonkostenvoordeel.